De buitengewoon succesvolle Wicked-verfilming zet componist Stephen Schwartz weer volop in de schijnwerpers. De podiumversie van die show was natuurlijk al succesvol over de hele wereld, maar veel ander werk was, toen die voorstelling verscheen, een beetje in de vergetelheid geraakt. Dat hij niet íneens goede songs is gaan schrijven bewijst het ruim 30 jaar oudere Pippin. De eerste Broadway-versie ervan behoort niet voor niets tot de 40 langstlopende Broadway-voorstellingen, en wie de Amerikaanse cast van de meest recente revival zo’n 10 jaar geleden in Carré aan het werk zag, zal daar vast nog steeds goede herinneringen aan hebben. Voor de voorstelling in Bergen op Zoom zijn deels dezelfde keuzes gemaakt als bij die voorstelling.
Pippin is opgezet als raamvertelling: een voorstelling in een voorstelling. We zien als publiek een theatergezelschap het verhaal van Pippin vertolken: een verhaal over een jongen die wil dat zijn leven betekenis heeft; een leven meer dan saai en alledaags. In deze voorstelling is dat gezelschap een circusgezelschap, in de stijl van de tijd van Barnum (denk aan The Greatest Showman). Dat zien we niet alleen terug in de kostuums, maar ook in een aantal grootschalige circusmomenten, waarbij je ogen tekort komt. De eerste begint al meteen na een korte introductie voor het voordoek. Eenmaal weg zien we acrobatiek in hangende hoepels, éénwielers, grondacrobatiek, linten, er komt van alles voorbij. Het podiumbeeld is buitengewoon indrukwekkend.
Maar terug naar het verhaal. Pippin, de oudste zoon van Karel de Grote, is klaar met zijn studie en keert terug naar zijn vader. De ontvangst is koud, en Pippin krijgt het gevoel niet serieus genomen te worden. Zijn halfbroer Lodewijk, een niet al te slimme vechtjas, lijkt bij hem hoger in aanzien te staan. Pippin staat erop ook mee te vechten in de volgende oorlog in de hoop op roem en glorie, en na een aantal afwijzingen staat zijn vader hem het toch toe. Hij overleeft de strijd, maar een gesprek met een gedode vijand (ja, het is slechts 1 van de meer bizarre momenten) doet hem beseffen dat dit niets voor hem is. Zijn zoektocht leidt hem onder meer langs zijn niet alledaagse grootmoeder ter bezinning, een periode van lust, van revolutie en van alledaagsheid. Dat het een raamvertelling is merken we door sommige onderbrekingen door de spelers – de koning die zegt dat hij een groots acteur is bijvoorbeeld, maar met name door de ’eerste speler’, die als soort regisseur een van de ‘actrices’ een aantal keren afkat, of het publiek in de toespreekt. Naar mate de voorstelling vordert krijg je steeds sterker het gevoel dat zij in haar zucht naar spektakel weinig goeds in de zin heeft met haar hoofdrolspeler en met terugwerkende kracht realiseer je je dat dit ook altijd al haar intentie was.
Hoewel het verhaal in grote lijnen een coming-of-age avontuur is, zorgen absurde en vreemde momenten ervoor dat je het niet echt ervaart als een reis, waarbij je meeleeft. De scherts en komedie houden Pippin’s begrijpelijke verlangens ook lang op afstand van je eigen hart. In de tweede akte zit er een mooi omslagpunt, waarbij dat ineens wel lukt, mede door de inzet van een dier en een kind. Het zorgt ervoor dat het bizarre slot stevig binnenkomt. Wonderlijk is wel dat de briljante ‘epiloog’, die ook in deze voorstelling te zien is, pas bij een latere versie is toegevoegd. (Schwartz prefereert deze versie boven zijn eigen slot).
Dat het met het showgedeelte meer dan goed zit schreef ik al eerder, en dat is mede te danken aan het fraaie decor en rekwisieten, zoals de lijkenkar na de oorlogsscène. Maar Pippin is een musical, dus hoe zit het met het spel, de dans en de uitvoering van de mooie songs als mijn persoonlijke favoriet(ik hou de Engelse titels aan) “Corner in the Sky” en feestjes als ‘War is Science’, ‘Magic to do’ en ‘Spread a little sunshine’? Nou, die is dik in orde. In het spel voelen sommige momenten wel net iets te dik aangezet, maar over het geheel genomen is het acteerwerk dik in orde, en wordt de juiste comedy-toon gevonden. De uitstekende vertaling van Daniël Cohen komt zo goed tot zijn recht.
Casper Eggermont vertolkt Pippin uitstekend. Hij heeft een herkenbare, aangename zangstem, die af en toe wat ongepolijst is en zo juist heel goed bij Pippin past. Demonstraties van vocale kracht krijgen we vooral van Mariska van Meurs als eerste speler en Joyce de Jong als Berthe, een belangrijke rol in de tweede akte. Zeker het vermelden waard is Joey Heijmans als Theo, het eerder genoemde kind (een rol die wordt gedeeld met Noah Fontijn). Ontwapenend schattig, en een uitstekende performer. Voor amateurbegrippen is de dans eveneens uitstekend verzorgd. Zelfs het typisch-Fosse dansje (Bob Fosse is de choreograaf van de eerste Broadway-versie, zijn Chicago is ongeëvenaard) krijgt een prima uitvoering. Het liveorkest speelt uitstekend, al kan de geluidbalans bij deze voorstelling nog wel iets meer op de zang gefocust kunnen worden.
Gisteren was de première. Ik was al bij de generale repetitie een dag eerder. Misschien is er bij deze speler nog geen premièredruk (er was in ieder geval geen stress zichtbaar), maar wel een extra uitdaging om dit voor een vrijwel lege zaal te doen. Het is toch een voorstelling waar toch wat publieksinteractie in zit. Er mag zelfs een nummer worden meegezongen. Die knallende zaal moest ik me nu voorstellen, er volop op vertrouwend dat die uit zijn voegen zal barsten.
Natuurlijk is BOV geen Broadway-producent, maar ik durf wel te stellen dat de entertainment-waarde van deze Pippin niet onderdoet voor degene die in Carré te zien was. Er is nog tot 13 april de tijd om dit zelf te ervaren.
Foto’s: Musicalworld